• Afscheid nemen; een laatste eerbeton

    Afscheid nemen; een laatste eerbetoon

    Afscheid nemen.
    Voor de meesten van ons voelt het vanzelfsprekend.

    We komen samen.
    We delen herinneringen.
    Er is ruimte voor tranen, een lach, een hand op een schouder.
    Foto’s, muziek, bloemen, woorden – alles met zorg gekozen.
    Een laatste groet, een laatste knuffel, nog één keer “dag mam” of “dag pap”.

    Een liefdevol eerbetoon.

    Zo hóórt het te zijn.

    Maar soms… soms is niets vanzelfsprekend.

    Sommige verhalen kruipen onder je huid.
    Ze laten je niet los.
    Ze blijven daar zitten, omdat ze zo onmenselijk voelen dat je bijna niet kunt bevatten dat ze echt gebeurd zijn.

    Dit is zo’n verhaal.

    Een afscheid dat geen afscheid mocht zijn.
    Een moment dat warm had moeten zijn, maar ijskoud werd.

    Wanneer je je ouders verliest, besef je ineens wat echte rijkdom is:
    familie.

    En dan, opeens, ben je wees.

    Voor de meesten is dat al zwaar genoeg.
    Maar stel je voor dat daar ook haat bij komt.
    Narcisme.
    Machtsmisbruik.

    Dat zelfs het laatste eerbetoon je wordt afgenomen.

    In dit gezin gebeurde het.

    Eén kind, verteerd door woede en afkeer naar broer en zussen, nam alles over. Alles werd strategisch gepland. Iedereen buitenspel gezet.

    Het ouderlijk huis?
    Leeggeroofd.
    Van kerstbal tot spijker.

    Geen foto.
    Geen kopje.
    Geen erfstuk.
    Geen tastbare herinnering aan hun jeugd.

    Niets.

    Alsof hun verleden nooit heeft bestaan.

    Zelfs het afscheid werd geregisseerd.

    Ze mochten op een aangewezen tijdstip komen.
    Niet waken wanneer ze wilden.
    Geen eigen bloemen.
    Niet spreken tijdens de dienst.
    Geen herinneringen delen.

    Stilte.

    Koud. Afstandelijk. Onmenselijk.

    Terwijl degene die dit alles bepaalde, zichtbaar genoot van de aandacht, zaten de andere kinderen apart. In een koffiekamer. Gescheiden van familie en vrienden.

    Alsof hun verdriet er niet mocht zijn.

    En toch gingen ze.

    Op advies van een tante.
    “Ga. Het is het laatste wat je nog kunt doen.”

    Dus gingen ze.

    Voor hun vader.
    Voor hun moeder.
    Voor de liefde.

    Maar het werd een afscheid vol afschuw.

    En dat terwijl de overledene zó warm was.
    Zo lief.
    Gastvrij.
    Betrokken.
    Een mens dat door iedereen geliefd was.

    Het contrast kon niet groter zijn.

    Daar stonden ze dan.
    Met lege handen.
    Met alleen hun herinneringen.

    Wees.
    Letterlijk.

    Soms zie je in mijn werk hoe mooi een afscheid kan zijn. Hoe families elkaar vasthouden. Hoe verhalen gedeeld worden. Hoe liefde bijna tastbaar is.

    Gelukkig is dát de norm.

    Maar dit verhaal herinnert me eraan dat niets vanzelfsprekend is.

    Niet samen afscheid kunnen nemen.
    Niet inspraak mogen hebben.
    Niet eens een aandenken krijgen.

    Het zijn dingen waarvan je denkt: dit kan toch niet?

    En toch gebeurt het.

    Haat kent soms geen grenzen.
    Narcisme gaat – hoe cru ook – over lijken.

    Daarom wil ik dit delen.

    Omdat het me raakt.
    Omdat het onder mijn huid is gaan zitten.
    Omdat het ons allemaal iets leert.

    Koester wat je hebt.

    Niet later.
    Nu.

    Praat.
    Herinner.
    Bewaar die foto.
    Geef elkaar die knuffel.
    Leg vast wat dierbaar is.

    Want rijkdom zit niet in geld of spullen.

    Rijkdom zit in het hart.
    In verbinding.
    In samen afscheid kunnen nemen.

    En in een laatste eerbetoon dat warm mag voelen.

    Liefdevol.
    Waardig.
    Zoals het hoort.


    doodgewoonkunst.nl
    voor herinneringen die je mag vasthouden

  • Weten en voelen; het begin van het afscheid

    Sinds begin dit jaar merken wij, mijn partner en ik, dat ons knuffellientje, onze “Prinses” Luca, ouder wordt. Ze is geboren op 7 december 2011, en langzaam maar zeker laat de tijd van haar horen.
    De realiteit komt hard binnen. Haar flexibiliteit neemt af, gaan liggen en opstaan gaat steeds moeizamer. Ze hoort bijna niets meer en slaapt zo’n achttien uur per dag. Soms, als ze diep ligt te slapen, kijk en luister ik of ze nog wel ademt. Het besef dat het moment van afscheid dichterbij komt, maakt me bang.

    Mijn meisje. Mijn maatje. Onze spatlab.

    Steeds vaker halen we herinneringen op — soms bewust, soms zomaar. Hoe ze was. De streken die ze uithaalde. Haar manier van “vragen” of we mee wilden wandelen, of dat het tijd was om te eten (dat mochten we vooral niet vergeten!). Haar trots als ze beloond werd na de wandeling. Nu komt het weleens voor dat de signalen te laat binnenkomen en er een klein ongelukje in huis gebeurt.
    ’s Avonds maken we haar zachtjes wakker voor een laatste plasje, om haar het ongemak van een ongelukje te besparen. Niet omdat het moet, maar omdat we haar dat niet willen aandoen.

    Gelukkig hebben we nog een laatste vakantie met haar kunnen vieren. In het vertrouwde Sauerland, tussen de bossen en bergen waar ze altijd zo graag liep.
    De wandelingen worden korter, de pauzes langer.
    Een route van een uur werd er nu drie.
    Zo dapper, zo stoer — ze loopt nog steeds mee de berg op, genietend van elke stap.
    Maar haar lichaam heeft rust nodig.
    Een dag om bij te komen.
    En ik voel met elke wandeling: dit zijn de laatste keren.

    Om haar leven zo comfortabel mogelijk te houden, krijgt ze maandelijkse injecties voor spierkracht en pijnstilling. Ze heeft er baat bij, maar de werking duurt korter. En met pijn in mijn hart zie ik haar langzaam achteruitgaan. Dan sluipt die vraag naar binnen: doen we het nog goed voor haar? Heeft ze het nog naar haar zin?

    Het tegen mij aankruipen van vroeger gebeurt nog maar zelden. Af en toe, een kort moment. Vermoedelijk laat haar oude lichaam het niet meer toe. Dus draai ik de rollen om.

    Ik kruip bij haar. Zodat ze mij voelt, mijn geur ruikt. Dat ze weet dat ik er ben.
    Altijd.

    Wat mij het meest angstig maakt, is het idee dat ze ’s nachts, in haar slaap, stilletjes zou heengaan. Velen zeggen dat dat een “mooie” dood is. En dat begrijp ik — als het zonder pijn is. Maar ik wil niet dat ze alleen is.
    Ik wil bij haar zijn. Dat ze mijn aanwezigheid voelt, misschien nog één knuffel geeft. Dat ze weet dat ze geliefd is, tot de laatste adem.

    Het klinkt zwaarmoedig, en dat is het ook.

    Maar het is vooral liefde.
    Want juist in het voelen van dit verdriet, voel ik hoe diep de band is tussen ons.

    Ik weet dat ik haar een prachtig hondenleven heb kunnen geven. Ze is verwend, geliefd en altijd omringd door aandacht. Ze laat me nog steeds weten dat ze gelukkig is — met een knuffel, met dat kleine gebaar dat zegt: ik ben blij met jou.

    Omdat haar gehoor grotendeels weg is, praten we nu met gebaren. En soms lijkt ze wat verward, vergeetachtig. Alsof de tijd haar zachtjes uit het leven duwt.

    Daarom schaal ik mijn werk af.

    Minder afspraken, meer tijd samen. ’s Avonds om half negen is het werk klaar.
    Dan is het tijd voor ons.
    Voor de rust.
    Voor het samen zijn.

    Hoe bereid je je voor op afscheid?
    Ik weet het niet. We hebben altijd honden gehad, maar Luca is anders. Zij is mijn hart.

    Met weemoed kijk ik naar haar — mijn oude, trotse labrador. Mensen die we tijdens het wandelen ontmoeten, zeggen vaak: “Ze heeft het zó goed bij jullie.” En dat klopt. Ze is oud, maar gelukkig.

    Een dierbare vriendin gaf me het boek Oude wijze honden van Elli H. Radinger. Op de cover staat een oude, grijze labrador — precies zoals mijn Luca. Het voelt alsof dat boek over ons geschreven is.

    Maar het grootste cadeau is Luca zelf.
    Ze heeft mijn leven verrijkt, me geleerd wat onvoorwaardelijke liefde is.

    En nu is het aan mij om haar datzelfde te geven, in deze laatste fase van haar leven.

    Dus ben ik bij haar.
    Met hart en ziel.
    Zodat ze weet — en voelt — dat ik er altijd voor haar ben.
    Tot het einde.
    En daar voorbij.

Je kan de inhoud van deze pagina niet kopiëren